Zoeken

Nachtbloeiers - Ismene Krishnadath

Zal ik je wat moois laten zien?

Maya Satiman en Narender Bajnarain kenden elkaar van school. Ze zaten in dezelfde klas, tweede vwo van het Hassendoorn College. Toch was het puur toeval dat ze elkaar die avond ontmoetten. Er was een bruiloft bij de familie Banwari. De oudste dochter trouwde. Bleek nou net dat de bruidegom een neef was van Narender.

Hij had Maya eerst niet herkend. Op school bemoeiden ze niet echt met elkaar. Ze was een onopvallend meisje, dat weinig sprak. Haar vriendinnengroep trok nooit speciale aandacht. Niet in de klas en ook niet op het schoolterrein. Narender en zijn mati’s daarentegen, waren altijd aan het grappen en grollen. Ze hadden het hoogste woord in de klas. Voor en na school reden ze rondjes met hun lawaaierige motorfietsen op de parkeerplaatsen. Ze troefden elkaar af met de nieuwste merken zonnebrillen, tattoo’s, kapsels en laten-halen-kleding.

Zij sprak hem aan. “Hi Narender, wat leuk om je hier te zien.”

Het duurde zeker een minuut voor hij achter de vakkundig aangebrachte avondmake-up het gezicht van Maya herkende. Haar ogen leken groter en stralender. Haar lippen waren voller en de rode lipgloss benadrukte hun volmaakte vorm. Het haar, dat ze op school altijd strak getrokken in een knoetje in de nek droeg, viel nu in kleine strengen krulletjes op haar schouders.

Ze droeg geen Hindostaanse feestkleding, zoals de meeste andere dames. Nee, voor haar geen Bollywood. De jurk van zijdeachtige stof met een zacht, paarsblauw motiefje, leek meer op een feeënjapon. Het lijfje met de smalle schouderbandjes sloot nauw om haar kleine borsten. De rok liep wijd uit tot net boven de witte, hoge hakschoentjes. Alleen de toverstaf en de vleugels op de rug ontbraken.

“Hè, wat doe jij hier?” reageerde hij verbaasd. Hij realiseerde zich direct dat ze waarschijnlijk evenveel recht had om op het feest te zijn als hij. Met deze out-fit kon ze onmogelijk een boro-vrouw zijn of een van de serveersters van de catering. Ze moest iets te maken hebben met de bruid. Misschien familie? Tegenwoordig trouwden Hindostanen met allerlei andere volken. Op school liepen er dozijnen meisjes van het Maya-type rond. Lichtbruin, zonder duidelijke etnische kenmerken. Het haar was niet kroes en niet glad. De ogen niet rond en ook niet scheef. De neus niet plat en ook niet puntig en de lippen niet dun en ook niet dik. Hun lijf had noch de stevige achtergevel van het zwarte ras, noch de platte achterkant van de Aziaten.

“Ik woon hiernaast,” hielp Maya hem uit zijn overpeinzingen. “Sheena is mijn buurmeisje. Ik ben samen met haar zusje naar de lagere school en de mulo gegaan.”

Dat verklaarde alles.

“Satish is mijn neef.”

“Ik dacht al zoiets. Hij heeft dezelfde familienaam als jij.”

“Hij is wel een stuk ouder dan ik. Ik ken de bruid niet echt. Pas vorige maand heb ik kennis met haar gemaakt op een familiefeestje.”

“Heb je al gegeten?”

Met deze vraag liet ze hem nogmaals weten dat ze volkomen thuis was op het feestterrein.

Hij knikte. “Ik lust wel iets te drinken. Moet je ook wat?”

Samen liepen ze naar de bar. Kelners regelden glazen drank op dienbladen. Hij nam een bier en zij nam een coconut-ananas shake. Ze namen plaats achter een tafeltje vanwaar ze de ceremonieën in de maro goed konden volgen. Sheena en Satish zaten naast elkaar onder de prachtig versierde huwelijksbaldakijn. Hij in het geel met een glinsterende huwelijkskroon op zijn hoofd. Zij in haar rode trouwsari, handen en gezicht behangen met gouden sieraden. Op zangerige toon oreerde de pandit de heilige huwelijksteksten, terwijl hij de rituele handelingen pleegde. De ceremonie liep op zijn eind. De pandit knoopte de schoudersjaal van de bruidegom aan de sari van de bruid. Op dat moment stelde Maya de vraag.

“Zal ik je wat moois laten zien?”

Het klonk geheimzinnig en een beetje ondeugend. Ze stond op en hij liet zich door haar meetrekken. Het terrein van de Banwari’s was groot. Ze woonden aan de rand van Paramaribo. Het was vanouds landbouwgebied. Veel mensen plantten nog groenten, maar hadden daarnaast een andere baan. Maya liep met Narender langs bedden met tayerblad en okerplantjes naar een deel van het terrein waar veel bomen groeiden. Er liep een pad tussen de bomen.

“Waar breng je me naartoe?” vroeg Satish.

“De visvijver,” antwoordde Maya. “We zijn er bijna.”

De visvijver lag verscholen achter twee grote djamunbomen. Een grote plas water overlopend in een bossige zwamp. Het was er sereen stil. Het bruiloftsfeest leek niet te bestaan.

“Kijk.” Maya wees naar de lotusbloemen die op het water dreven. Ze waren goed zichtbaar in het licht van de volle maan. Sommige glanzend wit, andere donkerroze en sommige hadden de kleur van Maya’s jurk. Allemaal hadden ze hun bloembladen wijd opengevouwen.

“Het zijn nachtbloeiers,” zei Maya. Overdag zijn ze dicht.

Het viel Narender opnieuw op hoe anders ze was dan op school. Er hing een zachte gloed om haar heen. Net een aura. Ze had nog steeds zijn hand vast. Met zijn vrije hand reikte hij naar haar haar gezicht. Zijn vingers gleden over haar wang, langs haar lippen. Als vanzelfsprekend gleden ze naar elkaar toe. Hun lippen raakten elkaar.

Narender kon zich later niet meer herinneren hoe lang hun kus had geduurd? Een minuut, vijf minuten, een half uur. Alles was mogelijk. De lotusbloemen lagen roerloos stil op het water. Hij wilde niet meer weg. Voor hem had het leven op dat moment stil mogen blijven staan. Maar Maya trok hem mee, naar het bruiloftsfeest van zijn neef. Bij de djamunbomen keerde hij zich nog eenmaal om. Net op dat moment gleed er een wolk voor de maan. Het werd donker. Hij struikelde bijna, maar Maya scheen de weg langs de bomen en de groentevelden goed te kennen.

Het feest liep ten einde. Maya had zijn hand losgelaten en glipte weg naar de keuken. Narender zag zijn vader op hem afkomen.

“Waar was je? We zoeken je al een tijdje. Je moeder wil naar huis. Het is al laat. De mensen gaan al weg.”

Gedwee liep hij achter zijn vader aan. Zijn moeder had gelijk. Het was tijd om naar huis te gaan. Hij wilde slapen en dromen. Dromen van een fee en bloeiende waterlelies.

Maya was niet op school. Het zou Narender niet zijn opgevallen als hij haar niet beter had leren kennen op het trouwfeest van zijn neef. Ook de dagen daarop kwam ze niet. Narender sprak een van de meisjes aan van het groepje waarmee ze optrok. Hij kende niet eens haar voornaam. De

leraren spraken iedereen bij de familienaam aan. “Hé, Macknack, weet jij wat er met Satiman is?”

Ze haalde haar schouders op. “Satiman? Ik zou niet weten. Misschien is ze ziek.”

In een opwelling reed hij ’s middags naar de straat van de bruiloft. Had Maya niet gezegd dat ze het buurmeisje van Sheena was? Het was ver, even buiten de stad, maar hij wist ongeveer waar en hij kende de naam van de straat. Toch had hij moeite Sheena’s huis te vinden. Op de feestavond was het goed herkenbaar geweest door de schallende muziek en de lichtende feestbogen bij de ingang. Dat alles ontbrak dit keer natuurlijk. Hij belde Satish om het nummer te vragen.

“Nummer 15.”

Langzaam reed Narender nogmaals langs de huizen. Hij moest de linkerkant hebben. De nummers gingen naar beneden. Nummer 19 was een Chinese buurtwinkel, nummer 17 een leeg perceel, afgezet met prikkeldraad, waarop een koe graasde. Vooraan op het erf van nummer 15 stond een tweeverdiepingswoning van hout, op neuten. Beneden was een keuken ingericht. Boven had een ruim balkon over de hele voorzijde. Dat zou het ouderlijk huis van Sheena moeten zijn. Zeker wist hij het niet. Op de dag van het feest was er op het voorerf een tent gebouwd voor de gasten. Het perceel liep ver door naar achteren. Dat klopte tenminste met zijn herinnering. En ook dat het een breed perceel was. Maar nummer 13 klopte niet. Een smal erf met een vervallen houten huis, overwoekerd door wied. Duidelijk dat er niemand woonde. Dat kon nooit het huis van Maya zijn. Misschien woonde ze ergens anders in de straat. Als men het over buren had, hoefden het niet per se de mensen naast te zijn. Ze zouden ook aan de overkant kunnen wonen. De erven aan de andere kant van de straat waren ruim en de huisjes lagen diep naar binnen. De groentebedden waren netjes onderhouden. Het moesten landbouwers zijn. Teleurgesteld keerde Narender zijn bromfiets. Hij besloot op school naar haar adres te vragen.

“Vlinderweg nummer 13,” zei de dame van het secretariaat.

Narender voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken.

“Waarom heb je haar adres nodig?”

“Ze is al de hele week niet op school geweest,” mompelde hij. “Misschien is ze ziek.”

De dame fronste haar wenkbrauwen. “We hebben een brief van haar moeder gehad. Ze is afgeschreven. Ze zouden naar Nederland gaan.”

Direct na school reed Narender naar zijn neef. Satish was koelmonteur. Hij had een zaak aan huis.

“Wat is er met jou aan de hand?” vroeg Satish. “Je ogen staan zo vreemd.”

“Ik moet Sheena dringend spreken?” antwoordde Narender. “Herinner je je dat meisje met wie ik op je trouwen was. Ze zat bij mij in de klas. Ze zei dat ze een buurmeisje was van Sheena. Ik kan haar nergens meer vinden.”

“Zit rustig jongen. Wil je wat drinken?” Satish bracht hem naar de keuken en gaf hem een glas koude markusastroop.

“Over welk meisje heb je het? Ben je verliefd op iemand?”

Narender gaf geen antwoord. Hij zag vanuit het keukenraam dat Sheena haar auto had geparkeerd en door de werkplaats naar hun toeliep.

“Hé, Narender, wat een verrassing om jou hier te zien. Hoe gaat het met je?” riep ze vrolijk.

“Hij is verliefd,” antwoordde Satish in zijn plaats.

Sheena rolde haar ogen. “Ooooo, en wie is de gelukkige?”

“Iemand die hij op ons trouwfeest heeft ontmoet,” zei Satish weer.

Narender schudde wild zijn hoofd.

“Nee, nee. Ik ben niet verliefd. En het is een meisje van mijn klas. Ze was op jullie trouwfeest. En nu kan ik haar niet meer vinden.”

Nu was het Sheena’s beurt om bezorgd te kijken.

“Wie was ze dan?”

“Ze heet Maya. Ze zei dat ze jouw buurmeisje was.”

Sheena sloeg verschrikt haar hand tegen haar mond. “O, nee.” Ze trok een keukenstoel naar zich toe en plofte erop neer. “Heeft ze je naar de lotusvijver gebracht?”

Narender knikte. “Hoe weet je dat?”

“Maya is mijn buurmeisje. Of liever gezegd, ze was mijn buurmeisje. Toen ze vier jaar was, is ze verdronken in de zwamp achterop. Maar af en toe zien mensen haar nog. Dan vraagt ze of ze naar de lelies willen komen kijken. Vooral als de maan helder is.”

Ongelovig staarde Satish naar zijn vrouw. “What’s happening here?”

“Ze was het enigst kind van haar moeder. Na haar dood is die naar Nederland vertrokken. Ik geloof dat ze daar een zus had.”

“Wil je zeggen dat ik een geest heb ontmoet?” fluisterde Narender.

Sheena knikte langzaam een paar keer.

“Maar ze zat in mijn klas....” Narenders stem was schor van emotie.

Sheena pakte Narenders handen vast. “Je moet proberen haar te vergeten. Hoor je me. Vergeet haar. Zoek een ander meisje om verliefd op te worden.”

Daarna keerde ze zich abrupt om. Narender en Satish vingen nog net op wat ze binnensmonds mompelde. “Anders loopt het slecht met je af.”

Een paar weken later ontving Narender een ansichtkaart met bloeiende lotussen: wit, donkerroze en zacht blauwpaars. Op de kaart stond ‘Veel liefs van Maya.’


Ismene Krishnadath

Paramaribo, 27 oktober 2019

45 keer bekeken

Recente blogposts

Alles weergeven

© 2018 Publishing Services Suriname. Proudly created by Beneficial Marketing & Management

  • Facebook